FANtv-nl-logo-mobile

Renault Formule 1 geschiedenis

De titel van Renault is niet uit de lucht komen vallen. Sinds 1977 is het merk al actief in de Formule 1. Vijf coureurs werden al eens kampioen met een Renault-motor in hun bolide, maar de eigen auto's verloren het op betrouwbaarheid. Tot Fernando Alonso kwam! Lees hier over de F1-geschiedenis van dit merk.



Renault debuut: Silverstone 1977


De eerste met een turbo-motor
De grootste bijdrage van Renault aan de Formule 1 was de turbo-motor. In 1977 kwam Renault als eerste met zo'n motor. Zes jaar later kon je als team niet meer zonder. In de tussenliggende periode zijn er bij de Franse fabrikant heel wat zweetdruppels gevloeid.


Toen Renault in 1976 aankondigde met een turbo-motor in de Formule 1 te komen werden er heel wat wenkbrouwen gefronst. Hoe in hemelsnaam zou een 1500 cc turbomotor het kunnen bolwerken tegen een 3000 cc conventionele motor. De Fransen waren echter van mening dat de turbo-technologie aanmerkelijk meer pk's konden leveren dan de concurrentie.


Na een jaar testen was het 16 juli 1977 zo ver. Formule 2 kampioen Jean-Pierre Jabouille stond na een moeizame training aan de start van de Britse Grand Prix. Aan de wedstrijd kwam na 17 ronden een einde toen de turbo klapte. Er zouden heel wat defecte motoren volgen de komende jaren.



De eerste Renault Formule 1




In de daaropvolgende GP's toonde Jabouille steeds vaker aan dat de Renault een bijzondere krachtige motor had gebouwd. Regelmatig stond hij bij de eersten op de startopstelling, maar voor hoge klasseringen in de wedstrijden schoot de betrouwbaarheid van de Renault-turbo te kort.


Het zou tot eind '78 duren tot Renault een fatsoenlijk finishresultaat haalde, 4e in de Amerikaanse Grand Prix.

   


1979: De eerste overwinning
In 1979 trok Renault de lijn door. Topprestaties in de training, o.a. 5 keer een pole-position, maar een bijzonder slechte betrouwbaarheid. Jabouille hield slechts 1 maal de boel heel, maar won toen wel zijn Franse thuis-GP. Zijn teamgenoot Arnoux (Renault startte in '79 voor het eerst met twee auto's) hielt de zaak beter heel. Met 2 tweede, 1 derde en 1 zesde plek als gevolg.


In 1980 leek de tijd rijp om te oogsten. Arnoux won zowel de tweede als derde GP en leek een serieuze kandidaat voor de wereldtitel. De betrouwbaarheid was echter ook dit jaar niet in orde en de jonge Fransman zag zelden de finishvlag. Uiteindelijk werd Arnoux 6e in het kampioenschap. Jabouille sloeg ook dit jaar 1 keer toe, dit maal won hij in Oostenrijk. Het enige waren zijn enige WK-punten dat jaar voor de coureur die de twijfelachtige eer heeft de grootste pechvogel uit de Formule 1 geschiedenis te zijn. In 1981 werd hij dan ook vervangen door het jonge talent Alain Prost.



Rene Arnoux (1980)


Snel maar onbetrouwbaar
Aan snelheid ontbrak het ook in '81 niet. 5 pole-positions (meestal met de andere Renault op  plaats 2) werden er dat jaar gehaald, maar pas aan het eind van het jaar kon Prost twee keer winnen (Nederland en Italie). Verder werden er nog wat podiumplaatsen gehaald maar het halen van de eindstreep was keer op keer een groter probleem dan het harder rijden dan de concurrentie.


In '82 kon het toch niet meer mis gaan? Prost won de eerste twee GP's. En Renault heerste vrijwel in iedere race. De meeste GP's kende hetzelfde verloop. De Renault namen in de eerste ronden de leiding. Liepen ronde naar ronde weg bij de concurrentie, maar vielen dan na verloop van tijd uit. Achter hen streden mannen als Rosberg, Pironi en Watson om de titel. Prost viel terug naar een vierde plek. Arnoux won ook twee keer, waaronder de belangrijke Franse thuis-GP. Het is bijzonder zuur voor Renault dat Pironi in zijn Ferrari met turbo-motor tweede wordt. De concurrentie heeft ingezien dat de turbo-motoren mogelijkheden hebben, maar hebben de betrouwbaarheid beter voor elkaar.



Rene Arnoux (1982)


Dat wordt nog duidelijker in 1983. Nelson Piquet (Brabham-BMW) wordt de eerste turbo-kampioen uit de geschiedenis. De manier waarop hij dat werd maakte de desillusie van Renault compleet. Het Franse merk leek de betrouwbaarheid eindelijk in orde te hebben. Prost  won vier keer, maar haalde ook in andere races vaal de finish en dus punten. Met nog 1 race te gaan stond hij in de leiding. Helaas begaf in de 35ste ronde van die race (als vanouds) de turbo het. De leidende Piquet kon kalm aan doen, viel terug naar de derde plaats in de race-uitslag en werd wereldkampioen.


De Fransman Patrick Tambay (ex-Ferrari) en de Brit Derek Warwick (ex-Toleman) waren in '84 en '85 de rijders, maar de rol van het Renault-team was uitgespeeld. Andere fabrikanten haden hun eigen turbo's gebouwd en deze wonnen het van het orgineel. De auto's wonnen geen races meer.



Patrick Tambay (1985)


Motorenleverancier voor andere teams
In 1983 was Renault begonnen met het beschikbaar stellen van de turbo-motor aan andere teams. Lotus en later ook Ligier en Tyrrell gebruikten Renault-motoren. In '85 en '86 is Ayrton Senna in zijn Lotus-Renault de snelste man van het veld. Ook de Lotus-rijder volgt het bekende Renault patroon, oppermachtig in de training (7 keer pole in 1985!), uitvallen in de race. Na '86 zet Lotus Renault buiten de deur. Renault stopt er dan ook mee.


De eerste come-back
Dat is echter van korte duur, Na twee jaar keert het merk weer terug met een nieuwe motor en een samenwerking met het Williams-team. De nieuwe motor is naast snel ook redelijk betrouwbaar en de Italiaan Ricardo Patrese wordt in zijn Williams-Renault zelfs derde in het WK achter de onaantastbare McLaren-rijders Prost en Senna.


Jarenlang de beste motor van allemaal
In 1990 gaat het iets minder, maar in '91 worden de Williams-Renault rijders Mansell en Patrese met zeven overwinningen tweede en derde achter Senna (McLaren-Honda). In '91 volgt dan eindelijk de titel waarnaar Renault al zo lang op zoek was. Renault en Williams heerste dat jaar en Nigel Mansell werd met zeven overwinningen wereldkampioen voor zijn teamgenoot Patrese (1 overwinning).



Mansell (Williams-Renault)


Ook in 1992 zijn Williams en Renault de beste. Dit maal is Alain Prost de kampioen (met 7 overwinningen), terwijl de onervaren Damon Hill drie keer wint en derde wordt in het kampioenschap.


Renault en Williams blijken een dreamteam. Die lief (63 gewonnen GP's, 4 wereldkampioenen) en leed (het dodelijk verongelukken van Senna in 1994)  met elkaar. Na Mansell en Prost worden ook Damon Hill ('96) en Jacques Villeneuve ('97) kampioen.




Alleen in 1995 wint een niet-Renault rijder de titel, namelijk Michael Schumacher in een Benetton-Ford. Voor 1996 voorziet Renault ook dit team van een motor en deelt zodoende mee in Schumachers tweede titel.


Na vijf titels in zes jaar stopt Renault weer met de Formule 1. De oude motoren blijven nog wel een tijdje onder andere naam (Mecachrome, Supertec) in gebruik bij diverse teams.

    


Tweede come-back
Renault zit ondertussen niet stil en werkt in stilte aan een nieuwe motor. In 2002 keert men terug door een oude partner - het Benetton-team -  over te nemen. Voor het eerst sinds 1985 staat er weer een Renault-Renault aan de start.



Alonso (wereldkampioen 2005)


Alonso, de eerste Renault-Renault kampioen
Dit maal heeft met vier jaar nodig om weer een wereldkampioen af te leveren. Fernando Alsonso wint in 2003 zijn eerste Grand Prix en wordt in 2005 de zesde Renault-kampioen, maar  hij is de eerste die dat doet in een auto die de naam van de Franse constructeur draagt.

Vergelijkbare artikelen